Ga naar de inhoud van deze pagina.
Voorjaarsnota 2025 Voorjaarsnota 2025

1.3.3 Heroverweging beleid verhoging OZB-opbrengst

Volgens het coalitieakkoord van 2022 worden de onroerende zaakbelastingen naast de algemene jaarlijkse indexering ook jaarlijks boventrendmatig verhoogd met 5%.
Bij motie van 10 april jl. is het college verzocht scenario’s uit te werken die binnen het in de voorjaarsnota en begroting te verwachten financieel meerjarenperspectief uitgaan van een minder dan of helemaal geen boventrendmatige verhoging van de OZB in combinatie met alternatieve maatregelen. Samen met de gemeenteraad streven wij er naar het lastenniveau voor de burger niet hoger te laten zijn dan noodzakelijk. Verhoging van belastingopbrengsten dient immers enkel en alleen ter dekking van de maatschappelijke voorzieningen als andere mogelijkheden daarvoor niet voorhanden zijn; het is geen doel an sich.
Met dat uitgangspunt voor ogen en uitvoering gevend aan de motie wordt hiernavolgend voorgesteld bij de opstelling van de begroting voor 2026 in beginsel uit te gaan van een ander scenario voor de OZB-tariefsbepaling dan de huidige 5% bovenop de reguliere jaarlijkse indexering.
Wij zijn genoodzaakt hierbij een voorbehoud te maken omdat het in de Voorjaarsnota gepresenteerde financieel perspectief hoogstwaarschijnlijk nog wijziging zal ondergaan ten gevolge van de verdere technische uitwerking van de begroting, de ontwikkeling van het gemeentefonds en specifieker daarin, de verwachte duidelijkheid over de door het kabinet te nemen beslissingen over bijvoorbeeld de eigen bijdrage voor de jeugdzorg en de indexatie van de opbrengst van de Hervormingsagenda.

In dit kader zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan onderstaande mogelijke scenario’s of combinaties daarvan:



2026

2027

2028

2029

0

Handhaving huidig beleid (5%)






Effect op meerjarenperspectief VJN

0

0

0

0


Saldo VJN

1.830

4.044

2.553

2.719







1

Verlaging structurele verhoging naar 1%






Effect op meerjarenperspectief VJN

-1.006

-2.126

-3.323

-4.601


Saldo VJN

824

1.918

-770

-1.882







2

Verlaging structurele verhoging naar 2%






Effect op meerjarenperspectief VJN

-755

-1.602

-2.516

-3.501


Saldo VJN

1.075

2.442

37

-782







3

Verlaging structurele verhoging naar 3%






Effect op meerjarenperspectief VJN

-503

-1.073

-1.964

-2.368


Saldo VJN

1.327

2.971

589

351







4

Verlaging structurele verhoging naar 4%






Effect op meerjarenperspectief VJN

-252

-539

-855

-1.201


Saldo VJN

1.578

3.505

1.698

1.518







5

Verlaging structurele verhoging naar 1% in 26, 2% in 27 en 3% in 28 en 29






Effect op meerjarenperspectief VJN

-1.006

-1.859

-2.504

-3.203


Nieuw saldo VJN

824

2.185

49

-484







6

Verlaging structurele verhoging naar 4% in 28 en 3% in 29






Effect op meerjarenperspectief VJN

0

0

-294

-924


Nieuw saldo VJN

1.830

4.044

2.259

1.795







7

Incidentele verlaging 5% verhoging in 26






Effect op meerjarenperspectief VJN

-1.258

-1.321

-1.390

-1.463


Nieuw saldo VJN

572

2.723

1.163

1.256







8

Verlaging structurele verhoging naar 4% in 28 en 29






Effect op meerjarenperspectief VJN

0

0

-294

-618


Nieuw saldo VJN

1.830

4.044

2.259

2.101







9

Géén boventrendmatige verhoging OZB






Effect op meerjarenperspectief VJN

-1.258

-2.645

-4.114

-5.668


Nieuw saldo VJN

572

1.399

-1.561

-2.949


Gezien deze uitkomsten stelt het College voor de begrotingsopstelling vooralsnog te baseren op scenario 7 waardoor de reeds begrote boventrendmatige verhoging van 5% in 2026 wordt geschrapt. De keuze voor dit scenario heeft structureel effect. Voor 2026 betekent dit dat het resterende positieve saldo € 848.000 zal bedragen. Het resulterende begrotingssaldo voor 2027 en verder is op dit moment positief, waardoor een ander scenario gekozen zou kunnen worden. Echter gezien de eerder genoemde onzekerheden wordt voorgesteld om aan de hand van de uitkomsten van de begrotingsopstelling te bezien of de keuze voor dit scenario ook voor de latere jaren onveranderd voortgezet zal worden. Dan kan immers een actueler onderbouwde afweging worden gemaakt welke mogelijkheden er zijn om ook voor die jaren de boventrendmatige verhoging te matigen.